Je kunt de volgende doelen stellen:
|
Ik wil de 100m rugcrawl in 1.10 zwemmen |
Met wedstrijdzwemmers kun je het beste werken met prestatiedoelen. Deze doelen zijn concreter dan doe je best doelen en zijn eenvoudiger toepasbaar dan resultaatdoelen. Resultaatdoelen hebben als nadeel dat het resultaat niet alleen in handen ligt van de sporter maar ook de tegenstanders hebben invloed op het wel of niet halen van het doel.
Een doel moet reëel en uitdagend zijn.
Korte termijndoelen zijn voor jonge kinderen geschikter dan lange termijn doelen.
Waar!
Ik moet eerst een duidelijke beginsituatie hebben voordat ik een doel stel.
Waar!
Wanneer een zwemmer geen precompetitieplan hanteert kan de omgeving voor veel afleiding zorgen. Met een precompetitieplan kan de aandacht gestuurd worden en gaat geen energie verloren aan afleiders.
Centeren is een techniek die de sporter leert omgaan met afleidingen. De aandacht gaat weg van afleiders, de sporter leert zich in korte tijd te 'hernemen'. Alle aandacht wordt gericht op de verrichten prestatie. (aandacht richten op punt in de buik, net iets achter de navel)
Feedback is het terugkoppelen van informatie over prestaties of gedrag van een sporter.
Dit is een ik-boodschap. Als jij-boodschap zou het zij: Jij bent vandaag lastig!!
Dit antwoord kan nooit fout zijn, het is immers een eigen mening, maar het is wel belangrijk je te realiseren wat jij er nu precies onder verstaat.
Enkele kenmerken van opbouwtraining zijn:
Tijdens een 100m race zijn de volgende gegevens interessant:
Met deze gegevens kan ik de raceverdeling beoordelen. daarnaast kan ik zien hoe de slagfrequentie zich tijdens de race ontwikkeld.
Met deze gegevens kan ik de raceverdeling beoordelen. daarnaast kan ik zien hoe de slagfrequentie zich tijdens de race ontwikkeld.
© Zweminfo.nl