We kennen de volgende fysieke prestatie bepalende factoren:
Naast de fysieke factoren kennen we ook de mentale prestatie bepalende factoren.
We kennen de volgende vormen van krachttraining:
Een aantal oefeningen zouden kunnen zijn:
|
biceps curl |
biceps |
leg curl |
achterkant bovenbeen (hamstrings) |
De volgende veiligheidsaspecten zijn belangrijk:
Drie doelstellingen voor algemene krachttraining kunnen zijn:
Oefeningen voor specifieke krachttraining zijn:
|
|
|
Veel gebruikte spieren
|
Weinig gebruikte spieren
|
Ik zou met krachttraining met gewichten heel voorzichtig op 14/15 jarige leeftijd starten. Afhankelijk van het verschil tussen kalenderleeftijd en biologische leeftijd.(Na de groeispurt!!) De krachttraining start niet met het doel vergroten kracht maar met het aanleren van correcte techniek om daarna zonder risico's te starten met het vergroten van kracht.
Deze vormen van training beogen het verbeteren en verrijken van de coördinatie. Met een verbeterde coördinatie is de kans op blessures kleiner en wordt het aanleren/verbeteren van bewegingen tijdens het zwemmen vergemakkelijkt.
We onderscheiden de volgende trainingsprincipes:
|
Het lichaam moet iets zwaarder belast worden dan het eigenlijk aankan. |
Een 100m loper zal vrijwel uitsluitend gebruik maken van het CP. Deze vorm van energieleverantie ligt in de spieren opgeslagen en is direct in staat grote hoeveelheden energie te leveren. De voorraad aan CP is slechts beperkt.
Er vanuit gaande dat de zwemmer de 100m zo snel mogelijk aflegt:
|
CP |
15% |
Bij inspanningen langer dan 15 minuten wordt de energie voor arbeid vrijwel uitsluitend verkregen door middel van de aerobe energievoorziening. Energie kan verkregen worden uit de verbranding van koolhydraten (glucose) of van vet. De verbranding van vet kost veel tijd en levert per tijdseenheid dus weinig energie. Deze vorm van energieleverantie is uitsluitend voor arbeid op laag niveau.
We onderscheiden:
|
|
gebruik makend van aerobe verbranding (met zuurstof) van koolhydraten/vetten |
Na 40 tot 60 seconden arbeid met anaerobe energievoorziening is de spier verzuurd. Deze verzuring is ontstaan door opeenhoping van melkzuur in de spier. Melkzuur is stof die ontstaat als koolhydraten onvolledig worden afgebroken. Deze onvolledige afbraak vindt plaats bij verbranding zonder zuurstof (anaerobe verbranding/energievoorziening). In een verzuurde spier:
Bij a-lactische trainingsmethoden wordt geen of erg weinig melkzuur geproduceerd. Alle aerobe trainingsvormen (duur en int.duur) zijn dus min of meer a-lactische trainingsmethoden. Daarnaast is ook sprinttraining over korte afstanden (maximaal 20m = 10sec) a-lactisch. Tijdens deze korte sprintmomenten wordt er vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van het CP. Dit levert ook geen melkzuur op.
Bij lactische trainingsmethoden wordt wel melkzuur geprocuceerd. (lactaat=melkzuur). Lactische trainingsvormen zijn interval tempo opdrachten (of lactaat produktie en lactaattolerentie opdrachten). Tijdens dergelijke opdrachten dient er een zeer hoog niveau gezwommen te worden. De aerobe energievoorziening schiet tekort en de anaerobe energie voorziening levert de extra benodigde energie. Anaerobe energievoorziening gaat gepaard met vorming van melkzuur.
Een aantal trainers onderscheidt ook de lactische sprintvormen. Tijdens deze sprintvormen worden afstanden van 20-50m overbrugd. Omdat deze inspanningen langer duren dan 10sec wordt er wel degelijk melkzuur geproduceerd.
De verbranding van vetten gaat erg langzaam en levert dus per seconde weinig energie-eenheden op. Bij de meeste zwemactiviteiten is de behoefte aan energie te groot om met vetverbranding te volstaan. Vetbranding is ideaal voor wandelen, heel rustig fietsen en de dagelijkse bezigheden.
De anaerobe drempel is de grens tussen aerobe en anaerobe energievoorziening. Onder de anaerobe drempel komt het grootste deel van de energievoorziening uit aerobe verbranding (zonder melkzuur/met zuurstof), boven de anaerobe drempel ligt het accent op de anaerobe verbranding (met melkzuur/zonder zuurstof)). Bij de meeste zwemmers ligt de anaerobe drempel tussen de 3 en 4 mmol/l.
In het cursusboek wordt als vuistregel aangegeven dat de maximale hartslag 220 slagen per minuut min de leeftijd. Dit zou betekenen dat voor een 15 jarige de maximale hartslag 205 is.
Als er gedurende langere tijd op maximaal niveau gezwommen wordt dan gaat een zwemmer op de maximale snelheid met aerobe energievoorziening zwemmen. We noemen dit de maximale duursnelheid, anaerobe drempel snelheid, aeroob 2 snelheid of soms de steady state. Belangrijk is dus dat er gedurende langere tijd (minstens 15 minuten!!) zo hard mogelijk gezwommen wordt. Testen om deze snelheid te bepalen kunnen zijn:
Bij duurtraining wordt het aeroob uithoudingsvermogen getraind. Dit betekent dat:
Een voorbeeld van duurtraining is:
5x400m 20sec rust
1e,3e,5e 400m bc - elke volgende 400m sneller zwemmen
2e en 4e 400m - 100m wis/100m wis omgek./200m wis in techniek.oef
Bij interval tempo training wordt het anaeroob uithoudingsvermogen getraind. Bij het anaeroob uithoudingsvermogen worden de volgende zaken verbeterd:
We kennen de volgende twee vormen van interval tempo trainingen (anaerobe trainingsvormen):
5x100m es ZO HARD MOGELIJK (90% PR of sneller)
start elke 8.00min, na elke 100m 200m actief herstel
8x50m es ZO HARD MOGELIJK (90% PR of sneller)
start elke 1.30 (geen actief herstel)
Met sprinttraining werken we aan de fysieke factor SNELHEID.
We kennen:
|
korte afstanden (max 15-20m) |
| Niveau: | Doel | % van PR | Rust bij 8x100m | Lactaat | Hartslag |
| aeroob 1 | cappilarisatie (aanmaak haarvaten), coördinatie | 75% | 8x100m 10sec rust | 1-3 | 150 |
| aeroob 2 | training van het hart (hartminuutvolume) | 80% | 8x100m 20sec rust | 2-5 | 175 |
| aeroob 3 | training van maximale zuurstofopname | 85% | 8x100m 30sec rust | 4-7 | 185 |
In het cursusboek worden de volgende periodes omschreven:
Doelstellingen in de algemene voorbereidingsperiode kunnen zijn:
Vier doelstellingen in de wedstrijdperiode/taperperiode zijn:
Als de Algemene Voorbereidingsperiode 8 weken duurt dan is het gebruikelijk om de specifieke periode 4 of 5 weken te laten duren.
Tien trainingsmethoden zijn (trainen van fysieke factoren (SCULK):
Fysieke factor: | Trainingsmethode: | Bijzonderheden: |
snelheid | sprinttraining | lactisch en a-lactisch |
coordinatie/techniek | techniektraining |
|
uithoudingsvermogen | duurtraining | aeroob 1 en 2 niveau |
lenigheid | lenigheidstraining |
|
kracht | specifieke krachttraining | in het water, diverse oefeningen |
Met 10 jarige kinderen zou ik me concentreren op:
De kern die het meest van het coördinatief vermogen eist zou ik als eerste doen. De opdracht die een intensief karakter heeft vergt de meeste coördinatie. Deze opdracht dus eerst.
Deze opdracht zal van aeroob 2 niveau zijn. Dus betekent dus dat er rondom de anaerobe drempel snelheid getraind wordt.
Dit is een interval tempo training ter verbetering van het anaeroob uithoudingsvermogen. (anaeroob is verbranding van koolydraten zonder zuurstof). We noemen deze training ook wel een lactaat tolerantietraining, sommige trainers zeggen ook een lactaat piek training).
Dit is interval duur training. De berekening van snelheid is gebaseerd op ongeveer 85% van de p.r. op de 100m. Als deze snelheid gedurende 200m vastgehouden moet worden is er zeker sprake van aeroob 3 niveau. (verbetering van de maximale zuurstofopname).
Deze opdracht is een a-lactische sprinttraining ter verbetering van de snelheid. Het afleggen van 15m duurt korter dan 10 seconden en vindt dus volledig plaats met energieleverantie door middel van het CP (creatine fosfaat). Er wordt dus geen melkzuur/lactaat geproduceerd. We noemen dit ook wel een anaerobe a-lactische inspanning.
5x600m zijn steeds inspanningen van 7 tot 9 minuten. Er vanuit gaande dat tussen de 600 meters weinig rust gegeven wordt kunnen we deze opdracht typeren als een duurtraining. De snelheid wordt gestuurd door de zwemmer opdracht te geven op 75% gevoelswaarde te zwemmen. Dit is dus aeroob 1 niveau.
Hier zijn veel voorbeelden mogelijk. Hier volgen enkele:
4x400m bc - 30sec rust
1e 400m elke 100m 16sec bbt (=boven beste tijd), elke volgende 400m iets sneller
2x800m - (20sec rust)
1e 800m bc 150m 80% GW/50m 85% GW
2e 800m 100m wis/100m es afw.
3x500m - (20sec rust)
1e 500m 200m wis/100m es/200m bc (adem 1-4)
2e 500m bc neg.split zwemmen
3e 500m 100m wis/100m bc/100m wis/100m rug/100m wis
3x600m bc - (30sec rust)
1e 600m bc pauzeloos zwemmen (tijd opnemen) 80% GW
2e 600m bc als 2x300m bc (10sec rust) tijd sneller dan 600m
3e 600m bc als 3x200m bc (10sec rust) tijd sneller dan 2x300m
Hier zijn veel voorbeelden mogelijk. Hier volgen enkele:
aeroob 1:
- 6x (100m bc (dt: 12-14sec bbt) + 3x50m es opbouwen 1--->3 (max 80% GW) 10sec rust)
- 8x100m bc T30 tijd+3sec 10sec rust accent op slaglengte en stand elleboog tijdens doorhaal
aeroob 2:
- 5x100m bc (15sec rust) doeltijd 80% van tabel
- 5x(100m bc (dt: 10-12sec bbt) + 100m wis 80% GW (10sec rust)
aeroob 3:
- 8x100m bc 30sec rust HARD zwemmen (doeltijd tenminste 85% van tabel)
- 5x150m (100m wis+50m bc) HARD zwemmen (85% GW of sneller) 30sec rust
Als stelregel wordt algemeen genomen dat het tenminste 48 uur duurt alvorens opnieuw een anaerobe trainingsmethode toegepast kan worden.
Bij aeroob 3 wordt meer rust gegeven:
Bij lactaattolerantietraining moet aanmerkelijk sneller gezwommen worden dan bij een aeroob 2 opdracht. De aeroob 2 snelheid is de maximale duursnelheid en ligt dus ongeveer gelijk aan de T30 snelheid. Bij lactaattolerantie wordt in principe altijd VOLUIT gezwommen.
Het liefst zou ik een dergelijke trainingsmethode op de avondtraining plannen. Veel zwemmers zijn 's ochtends nog niet in staat om dergelijke intensiteiten te zwemmen. Het lichaam is eenvoudig nog niet voldoende op gang. Daarentegen is het niet verstandig om nooit snel te zwemmen tijdens ochtendtraining. Er dient namelijk tijdens veel belangrijke wedstrijden (NK, EK etc.) al 's ochtends hard gezwommen te worden.
Een aantal zwemmers moet erg oppassen voor gewichtstoename. Omdat tijdens de vakantieperiode de energiebehoefte erg afneemt omdat er weinig tot helemaal niet getraind wordt en het eetpatroon niet gewijzigd wordt kan het gewicht toenemen.
Zwaar getrainde zwemmers kunnen tijdens langere vakanties last krijgen van hartritmestoornissen. De rustpols wordt door het grote slagvolume van het sporthart zo laag dat de zwemmer hier last van ondervindt.
Aeroob 3 trainingen hebben als doel de maximale zuurstofopname te verbeteren. Bij een aeroob 3 training wordt op een intensiteit gezwommen die wat hoger ligt dan de anaerobe drempel. Een groot deel van de energievoorziening is dus aeroob, een klein deel is anaeroob. Op deze wijze wordt het aerobe systeem maximaal belast en ontstaat er een zuurstofschuld. Tijdens de rusten moet door maximale zuurstofopname deze zuurstofschuld ingelost worden.
| wat doe je wel? | wat doe je niet? |
|
|
(Tijden per 01-01-2001)
| Discipline | Dames | Heren |
|
100m vlinderslag 100m rugslag 100m schoolslag 100m vrijeslag |
0.56.61 1.00.16 1.06.52 0.53.77 |
0.51.81 0.53.60 1.00.36 0.47.84 |
Bij jonge kinderen is de anaerobe energievoorziening nog niet ontwikkeld. Deze kinderen kunnen alleen op aerobe wijze energie vrijmaken. Het prikkelen van het anaerobe energiesysteem door middel van lactaat produktie of tolerantietraining heeft dus geen effect op het anaerobe energiesysteem.
Met behulp van de rugcrawl vlaggen/palen kun je vanaf 5m voor tot 5m na het keerpunt de tijd opnemen. Bij gevorderde zwemmers is het verstandig om tot 10m na het keerpunt de tijd op te nemen. Deze zwemmers hebben immers vaak een langere onderwaterfase.
Hoe intensiever de kern hoe belangrijker het inzwemprogramma. Als er een intensieve opdracht volgt moet het inzwemmen:
© Zweminfo.nl