
|
De vlinderslag is nog een betrekkelijk jonge zwemslag. Hij is
ontstaan uit de schoolslag, doordat de contrabeweging van de armen op een
bepaald moment boven het water werd uitgevoerd. De armdoorhaal werd verlengd in
de richting van de heupen, terwijl aanvankelijk de schoolbeenslag gehandhaafd
bleef. |
Vlinderslag is een echte “hoofdzaak”. De vrij extreme hoofdactie ten opzichte van de romp is zeer belangrijk. Het lichaam moet in voldoende mate deze beweging volgen om de wisselende bol-hol-ligging goed aan te voelen. De timing van de hoofdbeweging op de armslag is doorslaggevend. De timing van de ondersteunende beenactie moet goed passen op de bol-hol vanuit de armslag en hoofdbeweging. Vlinderslag is de enige slag waarbij de rug actief deelneemt aan de zwembeweging. Aan de bewegingsmogelijkheden van de schouders, nek en rug worden eveneens hoge eisen gesteld. Een relatief grote krachtsinzet is noodzakelijk; hierdoor is de slag ongeschikt voor lange afstanden. |
De armslag:De armbeweging draagt in grote mate bij aan de snelheid waarmee gezwommen wordt:
De armslag is in een aantal fases in te delen:
Onderaanzicht van een zwemmer. De onderwaterfasen van de slag zijn weergegeven. 1. InsteekDe inzet of de insteek vindt plaats op schouderbreedte of iets daarbuiten. 2. GlijfaseDe glijfase dient evenals bij de andere zwemslagen voor het kiezen van de juiste positie van de stuwvlakken (lees: handen). Dit is het moment dat de handen het begin zoeken van de contactbaan en bovendien wordt er op dit moment het diepen van de schouders iets ingezet |
3. TrekfaseDirect hierna begint de trekfase, waarin de eerste beweging iets zijwaarts naar buiten gericht is, met andere woorden van de schouderlijn af. Tijdens het verloop van de trekfase worden de armen steeds meer gebogen in de ellebogen en bovendien is de bewegingsrichting naar binnen naar de mediaanlijn. (De middenlijn van het lichaam). Aan het einde van de trekfase staan de stuwvlakken (armen en handen) loodrecht op de bewegingsrichting en is er een hoek van ongeveer 90 graden in de ellebogen en bevinden de handen zich onder de schouders. Dit komt allemaal overeen met de borstcrawl. 4. DuwfaseOp dit moment zal de trekfase overgaan in de duwfase. In de duwfase zal de elleboog, identiek als bij de borstcrawl, langzamerhand gestrekt worden. De beweging is naar achteren gericht. Hier zal aan het eind van de beweging een versnelling plaatsvinden. De armen zullen nooit geheel gestrekt zijn. 5. UithaalDe ellebogen zullen het water al verlaten hebben als de handen het laatste deel van de duwfase beëindigen. De handen zullen langs de heupen het water verlaten, nadat ze het laatste deel van de contactbaan naar achteren (ten opzichte van de zwemrichting) hebben voltooid. De handpalmen zijn naar achteren gericht, (door de versnelling in de duwfase) waarna snel de handrug naar het water wordt gedraaid. 6. OverhaalDe armoverhaal (ook wel de contrafase genoemd) vindt plaats met nagenoeg rechte, ontspannen armen. Een lichte buiging in de ellebogen komt deze ontspanning ten goede. Het is een wijde, vlakke overhaal. Ter hoogte van de schouderas zal de draaiing worden doorgezet, zodat de handpalm naar het water wordt gekeerd. Overhaal of de contrafase:
|
|
De functie van de beenslag is zowel stabiliserend als stuwend. De vlinderslag beenbeweging is een opeenvolgend op en neer bewegen van beide benen tegelijkertijd. De beweging bestaat uit een upbeat (opslag) en een downbeat (neerslag), die vanuit de heupen wordt ingezet.
|
Upbeat: De opslag of de liftende werking van de beenbeweging bij de vlinderslag is groter dat die van de borstcrawl. De upbeat duurt twee keer zo lang als de downbeat en is een ontspanningsfase. De benen worden vanuit de heupen omhoog gebracht en door de wwerstand van het water gestrekt. Doordat de beweging met beide bene tegelijk wordt uitgevoerd, gaan bij de downbeat de
heupen omhoog. Bij de upbeat, waarbij de benen weer gestrekt worden door de waterweerstand, gaan de heupen naar
beneden. De ligging verandert dus voortdurend van bol in hol en weer terug. De
ligging is golvend.
Ad 1: Ad 2: |
De ademhalingDe ademhaling moet zich zeer precies inpassen in het slagritme, om zo weinig
mogelijk storend te werken. Een gunstig moment voor de inademing is, wanneer de
schouders op het hoogste punt zijn en een lichte hoofdheffing voldoende is om de
mond boven water te brengen. Dit moment ligt aan het einde van de duwfase – begin overhaalfase. Het beste is om slechts na iedere 2e armcyclus adem te halen. Hierdoor wordt de frontale weerstand beperkt. De hoofdbewegingHet hoofd begint in de trekfase geleidelijk omhoog te komen en is het meest geheven tijdens de inademing. Het wordt halverwege de overhaal weer tussen de armen gebracht, zodat een goede stroomlijn een goede insteek mogelijk maakt. Op deze wijze ondersteunt het hoofd de golfbeweging, wat essentieel is voor de vlinderslag. |
Veelgemaakte fouten op een rijtje
|
Het bovenstaande is beschreven door Marijke Kamping en bewerkt door Michiel Veen.
© zweminfo.nl