Vormen met tweetallen
Duwkamp
Uitvoering:
In halfdiep water houdt men de armen over elkaar en grijpt men de eigen bovenarmen vast. De bedoeling is elkaar om te duwen. 'Af' is armen los of hoofd onder water.
Een dergelijk spel kan ook alsvolgt toegepast worden in de zwemtraining:
Twee zwemmers (van gelijk niveau) houden samen 1 plankje vast. 30 seconden lang wordt er borstcrawl benen gezwommen. Men probeert dan elkaar naar achteren te duwen. Na deze 30 seconden 30 seconden rust. In deze rustperiode weer terug naar beginpunt of wisselen van plaats. Bijvoorbeeld 10 keer herhalen. Ook mogelijk met andere slagen.
Duw- of sleepboot
Voorbereiding:
Grote banden, vlotten of iets dergelijks
Tweetallen maken
Uitvoering:
De een duwt de partner die in een band zit zo snel mogelijk naar de overkant.
Variatie:
Zonder materiaal is deze vorm ook toepasbaar:
Een kopgreep bijvoorbeeld
Duwen tegen voeten, waarbij degene die geduwd wordt op de rug ligt en ervoor zorgt goed gestrekt te blijven. Dit kan zwaarder gemaakt worden door een zittende houding, armen te spreiden, etc. Estafettevorm is ook mogelijk
Zwemmer trekken
Uitvoering:
De een houdt de ander bij de enkels vast. Degene die voorop ligt, zwemt armen. De andere zwemt benen of doet niets. Aan de overkant wisselen.
Let op: Schoolslag is het moeilijkst, omdat de armfase en beenfase elkaar kunnen tegenwerken als het ritme niet goed is.
Tip:
- Bij het vasthouden van de enkels, de handruggen naar beneden, anders duw je de benen naar beneden.
- Bij beginnende zwemmers pull buoys gebruiken.
Zweeds zwemspel
Het Zweeds zwemspel is geschikt om zwemmers/-sters spelenderwijs wegwijs te maken in de zwemmerij. Jij bepaalt namelijk de inhoud van de vragen. Sprinten, kracht en starten zijn ingrediënten van dit spel. Zeker de moeite waard!
Voorbereiding:
Verzin 20 of 25 vragen die slaan op het zwemmen
Vorm tweetallen
Maak antwoordformulieren waarop staat welk tweetal met welke vraag begint (dus niet iedereen naar vraag 1)
Uitvoering:
Hang de vragen verspreid op aan de overkant van het bad. Laat ieder tweetal in de juiste volgorde afwerken. Als er dus met vraag 4 begonnen wordt, wordt geëindigd met vraag 3.
Een van de twee duikt in het water, zwemt naar de overkant en leest de juiste vraag. Hij/zij lost de vraag op, onthoudt het cijfer of de letter en zwemt terug. Bij aankomst mag de andere weg voor de volgende vraag. Ondertussen noteert de zojuist aangekomen zwemmer/-ster het antwoord op het antwoordformulier.
Welk tweetal heeft alle antwoorden het snelst bij elkaar?
Opmerking:
Door de juiste keuze van letters bij de antwoorden kan de maker ervoor zorgen dat er een woord opgelost kan worden. Laat ze die oplossing vinden!
|