Zweminfo.nl Discussie  |  ZwemLinks  |  Sites NL  |  Sites Overig   
  Haarlems gezelligste zwemclub!
  Start  |   Techniek  |  Artikelen  |   De training  |  De wedstrijd  |   Sport & Lichaam  |

Het aanleren van de rugcrawl

 

 

 

Inleiding

 

Ruim voor de zomervakantie werd mij de vraag gesteld of ik tijdens de rugcrawldag een presentatie wilde houden over “het aanleren van de rugcrawl”. Vanaf dat moment dwaalden mijn gedachten regelmatig af naar deze dag en bedacht ik wat ik zou willen gaan doen met dit thema. Eén van de vragen die daarbij regelmatig naar voren kwam, luidde: “wanneer ben je nu klaar met het aanleren van de rugcrawl”?

 

Tijdens de vakantie zag ik het programma “Sport in beeld”. Een uitzending met onder andere beelden van Zus Braun die tijdens de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam het eerste Nederlandse goud bij het zwemmen won. Zij won de 100m rugslag in 1:22,0, nadat zij in de series het wereldrecord had verbeterd tot 1:21,6. Tevens beelden van Jolanda de Rover die in Los Angeles 1984 het laatste zwemgoud won. De 200m rugslag legde zij af in 2:12,38.


 

Zus Braun: het eerste Olympische zwemgoud

 

Jolanda de Rover: het laatste Olympische zwemgoud

 
 

 


Bij het zien van die beelden, bedacht ik mij:

 

“Waren zij klaar met het aanleren van de rugcrawl”?

 

Je bent pas klaar met het aanleren van de rugcrawl wanneer de techniek de zwemmer in staat stelt zijn of haar maximaal haalbare prestatie neer te zetten.

 

Hierbij spelen naast de techniek tal van andere factoren eveneens een rol.

 


Prestatiebepalende factoren

We kunnen de prestatiebepalende factoren indelen in: psychische prestatiebepalende factoren en fysiek trainbare factoren.

 

Psychische prestatiebepalende factoren

Motivatie

Plezier

Zelfvertrouwen

Faalangst

Stress-bestendigheid

Kennis en ervaring

 
 


 

 

 

 

 

Tekstvak: Maatschappelijke situatie:
Ø	Studie/school
Ø	Werk
Ø	Financiën

 

 

 

 

Rie Mastenbroek:

Veelvuldig Olympisch kampioene

 

 

 


Wolkvormige toelichting: Bewegingseigenschappen
Ø	Uithoudingsvermogen
Ø	Kracht
Ø	Lenigheid
Ø	Snelheid

Wolkvormige toelichting: Aanleg
Ø	Lengte
Ø	Stuwvlakken
Ø	Lichaamssamenstelling
Ø	Lichaamsvorm

 

 

 

 

 

Wolkvormige toelichting: Trainingservaring
Ø	Trainingsjaren
Ø	Frequentie
Ø	Intensiteit
Ø	Periodisering

Wolkvormige toelichting: Bewegingsvaardigheid
Ø	Zwemtechnieken
Ø	Start-/keerpunt en finishtechniek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Fysiek (trainbare) factoren

 

 


Centrale vraag tijdens de presentatie

De ontwikkeling van een zwemmer tot een topzwemmer neemt al snel een 15 jaar in beslag. Veel kinderen beginnen met een jaar of 9 met wedstrijdzwemmen, terwijl de wereldtoppers vaak om en nabij de 24 jaar zijn.

Om gedurende de hele zwemcarrière het spoor over alle prestatiebepalende factoren niet bijster te raken, zal de betrokken zwemtrainer of meestal zwemtrainers een meerjarenplanning moeten maken. Een planning waarin alle factoren een plaats krijgen.

De trainer moet het overzicht over al deze factoren bewaken en die conclusies trekken of beslissingen nemen, welke het zwemniveau van de pupil doet behouden of verbeteren. Echter: training geven is geen wiskunde. De materie is veelal zo complex dat gefundeerd conclusies trekken of beslissingen nemen vaak niet mogelijk is. Beslissingen moeten dan gevoelsmatig genomen worden. Het ‘fingerspitzengefühl’ van de trainer speelt hierbij een belangrijke rol.

 

Mijn bijdrage tijdens de rugcrawldag zal zich beperken tot het trainen van de bewegingsvaardigheid/techniek.

De volgende vraag zal tijdens de presentatie centraal staan:

 

Welke bewegingsvaardigheden moet de zwemtrainer de rugcrawl-zwemmer nu allemaal aanleren, zodat hij uiteindelijk in staat is zijn maximaal haalbare prestatie neer te zetten en hoe passen we dat in een meerjarenplanning in?

 

 



Vanuit het KNZB Sterrenplan naar de “Wereldtop”

 


Fasen in het motorisch leerproces

Wanneer we meer willen weten over het aanleren van een bewegingsvaardigheid/techniek en hoe dit in een meerjarenplanning in te passen is, dienen we eerst meer te weten over het  motorisch leerproces. Het leren van een bewegingsvaardigheid, in ons geval het aanleren van de rugcrawl, doorloopt, zoals u weet, altijd de volgende fasen:

 

 

 

 


 

3. Oefenen

 
 

 


 

2. Leren

 
 

 

Tekstvak: 1. Voorwaarden scheppen

 

 


1.      Voorwaarden scheppen
Een zwemmer moet er, zowel lichamelijk als geestelijk, aan toe zijn om een beweging te leren. Dit houdt in dat hij moet beschikken over de noodzakelijke bewegingseigenschappen (uithoudingsvermogen, kracht, snelheid, lenigheid en coördinatie), maar ook over voldoende motivatie, concentratievermogen, doorzettingsvermogen en eventueel moed/durf.

2.      Leren
Tijdens deze fase zal de zwemmer door de vele demonstraties een bewegingsvoorstelling krijgen. Hij krijgt de ruimte om te experimenteren en om veel bewegingservaring op te doen. Uiteindelijk ontstaat een globale bewegingsuitvoering.

3.      Oefenen
Door regelmatig, gedoseerd en gevarieerd te herhalen zal de zwemmer zich uiteindelijk de deelstructuren van de beweging eigen maken en zal de beweging doelmatiger en economischer uitgevoerd gaan worden. De trainer moet informatie/feedback geven over de juiste uitvoeringswijze. Door regelmatig succes te ervaren zal de zwemmer bereid of gemotiveerd zijn om te blijven oefenen. Aan het eind van deze fase zal af en toe zelfs het eindplaatje te zien zijn.

4.      Automatiseren
Uiteindelijk moet het eindplaatje automatisch uitgevoerd worden. De trainer heeft een aantal mogelijkheden om de beweging in te slijpen:

Ø      Bewegingsverbinding: de ene (deel)beweging/techniek wordt direct gevolgd door een andere (deel)beweging/techniek. Bijvoorbeeld: de rugcrawl wordt gevolgd door een goed keerpunt of vanuit een goede start gaan we rugcrawl zwemmen.

Ø      Bewegingscombinatie: de ene (deel)beweging/techniek wordt tegelijk uitgevoerd met een andere (deel)beweging/techniek. Bijvoorbeeld: de rugcrawl-armen wordt gecombineerd met vlinderslag-benen.

Ø      Bewegingsverzwaring: de (deel)beweging/techniek wordt gezwommen op een hogere snelheid, over een langere afstand of onder moeilijkere omstandigheden. Bijvoorbeeld: rugcrawl zwemmen met een T-shirt aan.

Bij het toepassen van deze mogelijkheden is het zaak om ervoor te waken dat er fouten gaan inslijpen. Uiteindelijk moet de uitvoeringswijze namelijk perfect en geautomatiseerd zijn. Om geen foute bewegingsuitvoeringen in te slijpen is het zaak dat de trainer iedere training weer heel goed observeert, informatie/feedback geeft en eventueel indien nodig de zwemsnelheid of de afstand aanpast.

 

Het didactische model

Alle trainingen samen moeten uiteindelijk bijdragen aan het realiseren van de doelstelling, zoals deze opgenomen is in onze meerjarenplanning. In ons geval: het leveren van een topprestatie op de rugcrawl. Het moge duidelijk zijn dat er planmatig gewerkt moet worden om uiteindelijk dat doel te realiseren. Iedere training weer!

 

Het didactische model helpt ons bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van onze training. Het helpt ons om planmatig en gestructureerd te kunnen werken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tekstvak: Beginstituatie
 

 

 

 


Meerjarenplanning

De KNZB staat een structuur voor waarbij de kinderen, alvorens aan wedstrijdzwemmen te gaan beginnen, eerst het Zwem-ABC doorlopen, direct gevolgd door het KNZB-Sterrenplan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De meerjarenplanning voor het aanleren van de rugcrawl begint bij het instroomniveau van de zwemmer. De zwemmer heeft dan het Zwem-ABC en het KNZB-Sterrenplan doorlopen. Om de beginsituatie voor het wedstrijdzwemmen te bepalen gaan we daar dan ook te rade.

 

De meerjarenplanning voor het aanleren van de rugcrawl eindigt bij het “eindplaatje” wat wij als trainer voor onze zwemmer(s) voor ogen hebben. Informatie over dit eindplaatje krijgen we vanuit de techniekbeschrijving, maar krijgen we vooral ook van de zwemmers die momenteel aan de top staan. Met die informatie kunnen we onze doelstelling vaststellen.

 

Om wat meer grip te krijgen op de jarenlange ontwikkeling van minioor (beginsituatie) tot topzwemmer (doelstelling) onderscheiden we binnen de meerjarenplanning 3 perioden:

Tekstvak: 1. Basistrainingsperiode

 

Tekstvak: 2. Opbouwperiode

 


 


Binnen deze perioden moeten alle prestatiebepalende factoren een plaats krijgen. Dus ook het aanleren van de rugcrawl met al zijn facetten.

 

Het instroomniveau: Zwem-ABC en KNZB-Sterrenplan

Binnen het Zwem-ABC groeit het niveau van rugcrawl zwemmen. Voor het Zwem-A moeten kinderen 8 meter beginners-rugcrawl zwemmen. Hierbij moet een op- en neerwaartse beenbeweging en een asymmetrische armbeweging (eventueel onder water) worden getoond.

Voor het Zwem-B moeten de kinderen 10 meter rugcrawl met een dubbele overarmslag tonen. Hierbij moet de wisselende op- en neerwaartse beenbeweging herkenbaar zijn en moet er sprake zijn van een doorgaande beweging, waarbij de armen elkaar bij voorkeur niet inhalen.

Het Zwem-ABC wordt voor wat de rugcrawl betreft afgesloten met 15 meter rugcrawl met een dubbele overarmslag. Hierbij gelden dezelfde eisen als bij het Zwem-B, aangevuld met de eis dat de overhaal in het verticale vlak en de doorhaal in het horizontale vlak plaats vindt.

 

Het KNZB-Sterrenplan is ingedeeld in 5 blokken. In elk blok komen een viertal thema’s aan bod:

1.      Te water gaan

2.      Voortbewegingsvormen

3.      Samenwerkingsvormen

4.      Behendigheidsvormen

Elk blok wordt onder andere afgesloten met een toets. Voor wat het aanleren van de rugcrawl worden de volgende vaardigheden getoetst:

Ø      Blok 1:

·        Afzetten van de wand en 3 meter stroomlijnen op de rug ……:

1.      De armen zijn hierbij gestrekt langs de oren

Ø      Blok 3:

·        ……afzetten van de wand en 25 meter rugcrawl-beenslag:

Ø      Blok 4:

·        Wedstrijdstart rugcrawl, 4 meter stroomlijnen op de rug, gevolgd door: rugcrawl gedurende het restant van de 25 meter:

1.      Met de juiste startcommando’s

2.      Stroomlijnen met de armen langs de oren

3.      Armen gestrekt overhalen en insteken

4.      Insteek recht voor de schouder met de pink eerst

5.      Armen blijven even ver uit elkaar

 


Het “eindplaatje”: Wereldtoppers

Het rugcrawl zwemmen is de laatste tien jaar enorm veranderd. De invoering van de nieuwe regelgeving rondom het keerpunt (maart ’91) is hiervan een sprekend voorbeeld. Ook het komen in het ritme van de slag na start en keerpunt middels de vlinder-beenslag is kenmerkend voor de moderne rugcrawl. De start, het keerpunt en de finish zijn tegenwoordig van zeer groot belang. Als voorbeeld: Sandra Völker werd in Istanbul Europees kampioene 1999 op de 100m rugcrawl (50m bad) in 1:01,39. Het aandeel van start, keerpunt en finish tijdens deze gouden race bedroeg: 19,55 sec., oftewel meer dan 30%!

 

Maar ook de rugcrawl zelf is veranderd. We zien een zeer hoge ligging, met het hoofd zelfs hoog uit het water, gekoppeld aan een hoge armfrequentie. Kenmerkend voor het heren-zwemmen is dat de heren zeer krachtig zwemmen en eventuele extra negatieve weerstand door hoofdbewegingen en/of een wilde insteek voor lief nemen, terwijl we bij het dames zwemmen veelal een wat rustigere ligging zien. Het hoofd wordt dan wel hoog gehouden, maar blijft heel stil liggen en wordt vaak enigszins achterover gehouden.

 

Uiteraard zijn er ook op het hoogste niveau stijlverschillen te constateren, toch zijn er een aantal overeenkomsten tussen de wereldtoppers:

1.      De uitvoering van de vlinder-beenslag om in het ritme te komen lijkt van doorslaggevende betekenis. Voorwaarde hierbij is dat de zwemmer voldoende kracht en uithoudingsvermogen heeft om dit de hele race vol te houden.

2.      Een hoge ligging. Hoe hoger de ligging hoe meer eisen er aan de beenslag gesteld worden.

3.      Het belang van starten, keren en finishen is toegenomen.

4.      Een krachtige armslag gekoppeld aan een hoge armfrequentie.

 


Het aanleren van de rugcrawl

 

1. Basistrainingsperiode:

Aan het begin van de basistrainingsperiode wordt het beginniveau getoetst en waar nodig verbeterd. Het Zwem-ABC en het KNZB-Sterrenplan leert ons dat we moeten streven naar het volgende beginniveau voor het rugcrawl-zwemmen, de “elementaire rugcrawl”:

Ø      Stroomlijnen op de rug met de armen gestrekt langs de oren;

Ø      Een goede rugcrawl-beenslag vanuit de heup, met ontspannen voeten;

Ø      Wedstrijdstart rugcrawl met de juiste startcommando’s;

Ø      Rugcrawl:

·        Gestrekt, verticaal overhalen en insteken;

·        Insteek recht voor de schouder, met de pink eerst;

·        De armen blijven even ver uit elkaar;

·        Horizontaal doorhalen.

 

Tijdens de basistrainingsperiode zijn de kinderen veelal in de leeftijd van 8 tot 13 jaar. De wekelijkse trainingsfrequentie wordt bewust laag gehouden. Binnen de trainingsplanning wordt gestreefd naar veelzijdigheid. Veel bewegingservaring opdoen in een kindvriendelijke sfeer.

Binnen de ontwikkelingspsychologie wordt ook wel gesproken van “ideale leerleeftijd”. Kinderen zijn zeer goed in staat om bewegingen te leren, omdat het lichaam in harmonie en het coördinatievermogen zeer goed ontwikkeld is.

De “elementaire rugcrawl” gaan we nu verbeteren tot een “wedstrijd-rugcrawl”. Voor wat het aanleren van de rugcrawl betreft stellen we ons de volgende doelen:

Ø      Verbeteren van het stroomlijnen;

Ø      Versterken van de rugcrawl-beenslag;

Ø      Aanleren van de vlinder-beenslag op de rug, onder water;

Ø      Verbeteren van de ligging tot een “stille” ligging;

Ø      Aanleren van de gebogen armdoorhaal;

Ø      Aanleren van de buggy-whip en het “rollen” om de lengte-as;

Ø      Verbeteren van de starttechniek;

Ø      Aanleren van de keerpunttechniek;

Ø      Oriënteren op de vlaggetjes;

Ø      Aanleren van de finishtechniek.

 

2. Opbouwperiode:

De zwemmers zijn veelal in de leeftijd van 13 tot 18/20 jaar. De opbouwperiode begint dan ook vaak heel moeizaam, namelijk met de puberteit. Deze kenmerkt zich door een disharmonie van het lichaam en een vaak negatieve houding ten opzichte van de omgeving. Voor de trainer is het zaak om de motivatie van de zwemmers hoog te houden. De trainingsfrequentie wordt iets opgevoerd om een prestatiedaling te voorkomen.

Doelen aan het begin van deze periode zijn:

Ø      Behoud van de motivatie;

Ø      Onderhouden van de technieken uit de basistrainingsperiode.

 

Na de puberteit komt het lichaam weer wat meer in harmonie. De zwemmers zijn sterker geworden en het lichaam is nu in staat om te “verzuren”. Het geproduceerde melkzuur kan namelijk “gebufferd” worden. We kunnen gaan werken aan ons ideaalplaatje: de “hoge-rugcrawl”. Trainingsdoelen voor het aanleren van de rugcrawl luiden nu:

Ø      Versterken van de rugcrawl-beenslag;

Ø      Verbeteren van de vlinder-beenslag op de rug, onder water. Dit in combinatie met het komen in het ritme na start en keerpunt;

Ø      Aanleren van een hoge ligging;

Ø      Verbeteren van start-, keerpunt en finishtechniek.

 

3. Topsportperiode:

Vanaf het 18/20 jaar wordt verder gewerkt aan het behalen van de maximale prestatie. Bij het  verder aanleren van de rugcrawl moet gezocht worden naar:

Ø      De eigen “stijl” in starten, zwemmen, keren en finishen. Allerlei details worden onder de loep genomen;

Ø      De juiste afstemming tussen de diverse technieken: start-, zwem-, keerpunt- en finishtechniek;

Ø      De juiste afstemming tussen slaglengte en slagfrequentie;

Ø      De eventuele specialisatie in afstand.

 

Wanneer alle prestatiebepalende factoren optimaal aanwezig zijn is de zwemmer in staat de topprestatie op de rugcrawl te leveren.

 

 

De meerjarenplanning in schema:

 

Basistrainingsperiode

1. Controle/verbeteren van de elementaire rugcrawltechniek

2. Aanleren/verbeteren van de wedstrijd-rugcrawl

Opbouwperiode

1. Onderhouden van de wedstrijd-rugcrawl

2. Aanleren/verbeteren van de hoge-rugcrawl

Topsportperiode

1. Ontwikkelen van de eigen stijl

2. Rugcrawl: topprestatie

 

 

 

Wanneer de zwemmer op het juiste moment “in vorm” is, is hij in staat een topprestatie te leveren.

 

De trainer moet altijd “in vorm” zijn!

 

 

Succes.

 

 

Patrick Tummers