![]() |
Discussie | ZwemLinks | Sites NL | Sites Overig | |
| Start | Techniek | Artikelen | De training | De wedstrijd | Sport & Lichaam | | ||
door Benny Dersigni
Benny Dersigni was in de seizoenen ‘97/’98 en ‘98/’99 trainer/coach bij Z&PC Breda en is momenteel werkzaam als docent lichamelijke opvoeding aan het Merewade college (IVBO/VBO) in Gorinchem. Daarnaast maakt hij deel uit van het KNZB-begeleidingsteam nationale selectie lange afstandszwemmen.
Tevens is hij op uitnodiging van de KNZB meegeweest op trainingstage naar Australie, waar de nationale Olympische zwemploeg een aanvang nam met de voorbereiding op de komende Olympische Spelen in Sydney 2000.
| 1. INLEIDING | 2: DE STARTTECHNIEK VAN DE RUGCRAWL
2.1 Het KNZB-reglement zegt hierover het volgende |
3: DE KEERPUNTTECHNIEK VAN DE RUGCRAWL
3.1 Het KNZB-reglement zegt hierover het volgende |
4: DE FINISHTECHNIEK VAN DE RUGCRAWL
4.1 Het KNZB reglement zegt hierover het volgende |
De rugcrawl en dan met name de start en het keerpunt zijn de laatste 10 jaar in het wedstrijdzwemmen punt van discussie geweest. In 1988 tijdens de Olympische Spelen in Seoel was het de Amerikaan David Berkhoff die in de series van de 100 meter rugslag het publiek verraste met zijn duikbootstart. Door na de start ruim 40 meter onder water te blijven maakte hij gebruik van de reglementen die tot dan toe hierin nog niet voorzagen. In de finale moest hij echter zijn meerdere erkennen in de Japanner Daichi Suzuki die wel gebruik maakte van de duikbootstart, maar deze niet zo ver doorvoerde als de Amerikaan. Dat het goud voor een Japanner was is men allang weer vergeten, maar de ‘Berkhoff-duikboot’ zal het zwempubliek zich nog altijd blijven herrineren.
Enige tijd later werden de reglementen aangepast en werd 15 meter de uiterste grens voor het onder water zwemmen bij de rugcrawl.
De reglementsaanpassing van het rugcrawlkeerpunt, waar men vroeger nog op de rug moest aantikken en draaien, dateert van de begin jaren negentig. Mede doordat het reglement hierin niet duidelijk was heeft dit destijds vele zwemmers en zwemsters diskwalificaties opgeleverd. Vele aanpassingen op het nieuwe rugcrawlkeerpunt waren nodig om enige duidelijkheid te verschaffen, zowel voor de zwemmers en zwemsters maar zeker ook voor de jurleden, trainers en coaches.
In Nederland is de rugcrawl jarenlang een ondergeschoven slag geweest. Hierin is de laatste jaren verandering gekomen, met name de ‘youngsters’ Klaas-Erik Zwering (PSV) en Sander Ganzevles (DWK) moeten in de toekomst kunnen gaan zorgen voor internationale Hollandse rugcrawlsuccessen!
Benny Dersigni
Artikel D18 Zwemslagen
18.2.a.
Voor het startsignaal moeten de deelnemers gereed liggen in het watermet de voorzijde van het lichaam naar de startzijde inclusief het gezicht en met beide handen de starthandgrepen vasthouden. De voeten, iclusief de tenen, moeten onder het wateroppervlak zijn. Staan in of op de overloopgoot of het klemmen van de tenen over de rand van de overloopgoot is verboden.
18.2.b.
Op het startsignaal en na het keren moet de deelnemer op zijn rug afzetten en zwemmen gedurende de race uitgezonderd tijdens het uitvoeren van de keerpunten zoals omschreven
in 18.2.d. (zie 3. De keerpunttechniek van de rugcrawl). De rugligging wordt verlaten indien de hoogstliggende schouder een hoek maakt van 90 graden of meer met het wateroppervlak. Doet men dit toch dan mag er geen stuwende beweging meer plaatsvinden. De positie het hoofd doet hierbij niet terzake.
18.2.c.
Gedurende de hele race moet een deel van het lichaam het wateroppervlak doorbreken met uitzondering van de eerste 15 m. na de start en na elk keerpunt; op dat punt dient het hoofd het wateroppervlak te hebben doorbroken.
Elke rugcrawlzwemmer zal moeten afzetten van een vlakke wand, vaak is het zo dat de architecten van de zwembaden er geen rekening mee hebben gehouden dat het misschien wel eens mogelijk zou kunnen zijn dat er zwemwedstrijden worden georganiseerd en dat er dan heel waarschijnlijk ook rugcrawl wordt verzwommen en er dus vanuit het water gestart zal worden.
Gevolg van de onwetendheid van de architecten is dat rugcrawlzwemmers bij het inzwemmen al staan te mokken bij de gladde wanden, waar men geen fatsoenlijke afzet kan maken en dus bij voorbaat al afzien van hun wens om een persoonlijk record te zwemmen op de wedstrijd van het jaar.
Daarom is het belangrijk een stabiele rugcrawl start te hebben die op de verschillende soorten wanden, glad of ruw, ten uitvoer kan worden gebracht. Dit geeft de zwemmer vertrouwen en het scheelt de trainer en/of coach teleurgestelde rugcrawlzwemmers tijdens het inzwemmen.

Terwijl de zwemmer wacht voor het commando ‘op uw plaatsen’, zal hij in het water moeten zijn met zijn gezicht richting de muur en met de handen houdt hij het startblok bij de rugcrawlhandgrepen vast. De voeten moeten totaal onder water zijn. De bal van de voet en de tenen moet tegen de wand, daarnaast zijn de hielen los van de wand. De benen zijn gebogen en de heupen in het water.
De zwemmer zal zich in een opgerolde positie moeten optrekken als hij het commando ‘op uw plaatsen’ krijgt. Het hoofd is naar beneden gericht en kijkt richting de goot. De armen zijn gebogen in de ellebogen. Deze zijn ingetrokken en klemmen tegen het lichaam aan. De heupen moeten zo hoog mogelijk zijn met dien verstande dat de wand een ruw oppervlak heeft. De voeten blijven volledig onder water en met de billen dichtbij de hielen.
Sommige zwemmers kiezen ervoor om de voeten naast elkaar tegen de wand te zetten, anderen kiezen ervoor om een voet iets lager dan de andere voet te zetten. Vaak doet men dit bij een wat gladdere wand voor meer stabiliteit. Onderzoek naar de verschillende voetpositie’s tegen de wand heeft niets opgeleverd. De zwemmer zal zelf moeten uitproberen welke voetpositie hem tijdens de start het meeste voordeel oplevert.
Als het startsignaal klinkt gooit de zwemmer zijn hoofd op en naar achteren en kijkt daarbij naar de overkant van het zwembad. Tegelijkertijd moet hij zijn lichaam omhoog en naar achteren duwen door naar beneden en vooruit te duwen tegen de handgrepen.
Als het lichaam eenmaal in beweging is moet hij de handgrepen loslaten en zijn armen zo snel mogelijk over het hoofd brengen. Op hetzelfde moment moet hij zijn lichaam met zijn benen op en wegduwen van de wand. De afzet wordt voltooid door een krachtvolle strekking van de knieen, gevolgd door een strekking in de voeten.
De armen van de zwemmer moeten omhoog en acherwaarts over het hoofd worden geworpen. Niet in een cirkel langs de zijkant van het lichaam. De armen moeten buigen gedurende de eerste helft van de ‘gooi over het hoofd’ en daarna strekken tijdens de tweede helft als ze achterwaarts en naar beneden reiken voor de induik. Deze strekking moet plaatsvinden tegelijk met de strekking van de benen tijdens het afzetten van de wand om zo de induik zo gestroomlijnd mogelijk te laten verlopen.
Er zijn 2 redenen waarom het is aan te raden om rugcrawlzwemmers deze techniek aan te leren, waarbij de armen over het hoofd worden gegooid en niet langs de zijkant.
Het lichaam moet door de lucht in een boog, met een holle rug, het hoofd naar achteren kijkend, en de armen gestrekt over het hoofd. De benen moeten ook gebogen zijn, tezamen met de voeten die weer gestrekt zijn in de enkels.
De zwemmer moet nastreven om het lichaam in zijn geheel uit het water te brengen gedurende de vlucht, alhoewel dit moeilijk is te realiseren vanwege de lage positie t.o.v. het water in de voorbereidende houding. Desondanks als de zwemmer een redelijke hoek van afzet maakt en hollen hun rug zo ver mogelijk gedurende de afzet vanaf de wand dan is het mogelijk het slepen van het onderbeen en de voeten door het water tijdens de vlucht te voorkomen.
De induik moet worden gemaakt met een gestroomlijnd lichaam met de armen gestrekt en bij elkaar. Het hoofd moet tussen de armen en de benen en voeten gestrekt. De hoek van induik zal zo moeten zijn dat de handen het water het eerste raken, gevolgd door het hoofd, heupen en als laatste de benen. Het zou ideaal zijn wanneer het hele lichaam door hetzelfde gat gasat waar de handen als eerste doorheen gingen. Dit is echter moeilijk te realiseren aangezien het lichaam tijdens de vlucht zo dicht bij het water bevindt. Om deze reden maken dan ook de heupen en benen vlak voor het punt van de induik van de handen eerst contact met het water.
Desondanks kan de zwemmer de tegenwerking van het water flink reduceren door de benen
omhoog te schoppen tot een hoge positie als ze induiken. Dit zal de benen helpen om het water in te gaan op dezelfde plek als de heupen. De heuplift wordt gedaan door een samentrekking van de heupbuigers.
Na de induik in het water moet de zwemmer zijn benen scherp naar beneden bewegen om het lichaam van richting te laten veranderen een voorwaartste beweging i.p.v. van naar beneden.
Een aantal vlinderslagbeenwegingen zijn nodig om deze verandering van richting mogelijk te maken. De armen zijn dan in een gestrekte positie van de vingertoppen tot aan de schouders. De achterkant van een hand moet in de palm van de andere hand liggen. Het hoofd is tussen de armen.
De meeste internationale top-rugcrawlzwemmers gebruiken vlinderslag-benen tijdens de onder waterfase van de start tot aan 15 m. Van deze regel wordt optimaal gebruik gemaakt.
Na enkele vlinder-beenslagen moet de zwemmer beginnen met de rugcrawl-benen en een onder water armslag maken die hem aan de oppervlakte brengt. Het hoofd mag niet worden opgetild vanuit de gestroomlijnde positie voordat ze het wateroppervlak doorbreken. Eenmaal aan de oppervlakte moet de zwemmer zijn slagfrequentie en slaglengte voor de wedstrijd zo snel mogelijk oppakken.
De holle rug en de hoofdbewegingen hebben grote invloed op een succesvolle rugcrawlstart, dus wil ik ze nog even nader belichten.
Zoals eerder al genoemd de zwemmer moet zijn hoofd op en achterover gooien als men afzet van de wand. De zwemmer moet dus niet zijn hoofd op houden tijdens de vlucht. Hij moet zijn rug hol maken en zijn hoofd naar beneden bewegen, voordat de voeten de wand verlaten. Deze hoofdactie’s zorgen voor een perfecte hoek van afzet en een voldoende gebogen rug om zo met een gestroomlijnd lichaam in te duiken. Een zwemmer die dit niet doet land welhaast zeker plat op zijn rug in het water als hij zijn hoofd op houdt, gevolg is dat de rug niet gebogen en hol is, nadat de voeten de wand hebben verlaten.
De twee meest voorkomende fouten bij de rugcrawlstart zijn al genoemd:
De volgende oefening kan in de thuissituatie bij de eigen vereniging uitproberen. Span een stuk touw over het bad ter hoogte van het punt waar de heupen tijdens de rugcrawlstart het hoogste punt bereiken. Laat de zwemmers rugcrawlstartsoefenen over het touw heen zonder dat ze deze aanraken.
Veel rugcrawlzwemmers maken ook de fout het hoofd op te tillen uit de gestroomlijnde positie gedurende de glijfase en het glijden naar het wateroppervlak, voordat ze beginnen met de armslag. Het gevolg is dat de weerstand wordt vergroot door de niet gestroomlijnde positie en dit reduceerd uiteraard de voorwaartse snelheid gedurende het glijden. Gevolg daarvan weer is dat men met rugcrawl-benen veel kracht moet zetten om aan de oppervlakte te komen en men begint met een verlaagde wedstrijdsnelheid aan de race.
Om een zo ver mogelijke duik uit het water te maken zal het lichaam eerst uit het water moeten worden geduwd. Hiervoor is het van essentieel belang dat het voorwaartse snoeken wordt geoefenend. Het hol trekken van de rug is daarbij een voorwaarde om het water goed aan te kunnen snijden.
Een oefenreeks:
In indien een trap wordt gebruikt:
snoek en een achterwaartse snoek naar rechts. Deze reeks blijven herhalen.
‘in-one-hole’ het water aan te snijden.
Indien een trap wordt gebruikt:
3. DE KEERPUNTTECHNIEK VAN DE RUGCRAWL
Artikel D18 Zwemslagen
18.2.d.
Tijdens het keren mag de rugligging verlaten worden waarna een ononderbroken gelijktijdige armdoorhaal mag worden gemaakt om het keren in te zetten. Als de rugligging eenmaal is verlaten is het niet toegestaan een armdoorhaal of beenslag te maken welke onafhankelijk is van de ononderbroken keerpuntactie. De deelnemer moet de rugligging weer hebben ingenomen, wanneer het contact met de wand is verbroken. Tijdens de keerpuntactie moet met een deel van het lichaam de wand worden aangeraakt.
Bij het naar voren/beneden bewegen van het hoofd mag er een zwiep met de benen worden gemaakt. Dit is in wezen ook een natuurlijke beweging die volgt op het naar voren/beneden bewegen van het hoofd.
Tevens mag men een handbeweging maken ter ondersteuning van de draai.


Bij het maken van keerpunten wordt vaak om de lengte-as gedraad. Hierbij definieeren we onafhankelijk van de gekozen richting de volgende twee namen:
Binnenarm; de arm waarvan de schouder zich bij een draai om de lengteas ten opzichte van
de orginele lichaamspositie naar achteren beweegt.
Buitenarm; de arm waarvan de schouder zich bij een draai om de lengteas ten opzichte van
de orginele lichaamspositie naar voren beweegt.
Bij de keerpunten maken we gebruik van verschillende manieren om het lichaam van richting te veranderen. Het snelst kan dit dor te draaien (roteren) om de breedte-as, de lengte a-as of om beide lichaamsassen.
Breedte-as; de lijn die in horizontale richting door het zwaartepunt van het
staande lichaam kan worden getrokken (tussen hoofd en tenen).
Lengte-as; de lijn die in verticale richting door het zwaartepunt van het staande
lichaam kan worden getrokken tussen hoofd en tenen.
Salto; een draai (rotatie) om de breedte-as.
Schroef; een draai (rotatie) om de lengte-as.
Salto/Schroef; een draai (rotatie) om zowel de breedte- als lengte-as.
In aanvulling tot de beide eerder gedefinieerde assen wordt er bij verschillende keerpunten ook gedraaid om de derde as, die loodrecht staat op de beide andere assen en de drie dimensies completeert. Zodoende kan elke beweging worden aangeduid als een combinatie van assen.
Diepte-as; de lijn die in de diepte door het zwaartepunt van het staande lichaam
kan worden getrokken (door de buik en de rug).
Het oudste en bekendste voorbeeld vaneen draai om de diepte-as is het oude rugcrawlkeerpunt, waarbij op de rug werd aangetikt, de voeten naar de kant werden gebracht in rugligging en uiteraard in rugligging werd afgezet. Veel nieuwe keerpunten zijn opgebouwd uit draaiingen om twee verschillende assen.
‘Hoela-hoepen’ het draaien om de lengte -as vanuit een gestrekte uitgangspositie.
Voorwaarde om een goed rugcrawlkeerpunt te maken is; dat de zwemmer de afstand tot de wand juist beoordeelt en dat hij dit doet door zo min mogelijk rond te kijken. De rugslagvlaggen zullen moeten helpen bij het bepalen waar men is t.o.v. de wand. Het aantal slagen tot de wand dient te worden geteld. Dit is het aantal slagen dat nodig is voordat men aan de draai begint. Voor de meeste senioren zwemmers wil dat zeggen 2 of 3 armslagen, ndat men de rugslagvlaggen is gepasseerd.
Ideaal is het als men de draai ‘in te zwemmen’ zonder vantevoren naar de wand te kijken.
De draai begint een armslag voor de wand. De zwemmer begint de rotatie naar de binnenarm (trek-arm) toe als de buitenarm (overhaal-arm) uit het water komt. In de tussentijd gaat de arm over het water met een hoge elleboog net als bij de borstcrawl over het water heen. De zwemmer is in een goede positie als de de trekarm onder zijn borst komt en de andere arm het water in gaat.
Eenmaal in deze positie wordt het keerpunt uitgevoerd met een snelle draai om de breedte-as, behalve natuurlijk dat de zwemmer op zijn rug blijft na de afzet. De zwemmer maakt een sterke opwaartse beweging gedurende de eerste armcyclus en laat dan deze arm naast zijn lichaam. Hij ziet de wand en maakt aanpassingen als dat nodig is om zijn voeten sneller naar de wand te brengen. De zwemmer maakt met de andere arm, welke voor is, een cyclus onder water. Halverwege deze armslag brengt hij zijn hoofd naar de borst en maakt een vlinderslagbeweging om zijn heupen over het water heen te krijgen. Op het moment dat beide handen naast zijn lichaam liggen draait de zwemmer zijn handpalmen naar de bodem en gebruikt ze om zijn hoofd op te tillen en zijn voeten over het water te brengen. Beide handen
komen weer boven zijn hoofd, voordat zijn voeten de wand raken. Het hoofd is tussen zijn armen en hij heeft zijn bovenlichaam en armen zo gestroomlijnd, zodat hij kan afzetten zonder vertraging als zijn voeten de muur raken. Zijn voeten zijn neergezet een paar centimeter onder het wateroppervlak, zodat hij zijn knieen diep kan buigen. Dit geeft een goede uitgangshouding voor een vlinderbeenslag.
De armen en benen van de zwemmer strekken tegelijkertijd als hij op zijn rug van de wand afzet. Hij zet af in een lichte naar beneden gaande beweging om onder de oppervlakte turbulentie te blijven en om het lichaam beneden te houden gedurende de vlinderslagbeweging. Het lichaam is gestroomlijnd van hoofd tot tenen gedurende de uitdrijffase.
Na een korte tijd te zijn uitgedreven begint de zwemmer een vlinderslag beenslag. Zwemmers met een goede vlinderslag beenslag om verschillende vlinderslag beenslagen te maken na de afzet. Om op deze manier onder water zoveel mogelijk afstand af te leggen. Zwemmers met een slechte vlinderslag beenslag geven misschien de voorkeur om geen vlinderslag beenslag te zwemmen. In dat geval moeten ze 2 tot 4 rugcrawl beenslagen maken en dan beginnen met de armoverhaal.
De zwemmers begint de rugcrawl beenslag als hij zichzelf naar het wateroppervlak toetrekt.
Na 2 tot 4 beenslagen begint de zwemmer zijn armslag, waardoor zijn hoofd omhoog komt en door het wateroppervlak heenbreekt. Zijn hoofd blijft hierbij in gestroomlijnde positie naast de andere arm tot het wateroppervlak. De zwemmer zal geen vertraging mogen oplopen om de juiste slagfrequentie te handhaven voor de wedstrijd op het moment dat hij het wateroppervlak raakt. Sommige zwemmers glijden naar het wateroppervlak voordat ze beginnen met zwemmen en ze vertragen op deze manier duidelijk. Een andere duidelijke fout is dat zwemmers met de eerste armslag beginnen voordat ze dichtbij het wateroppervlak zitten. Vaak, maakt men deze slag veel te vroeg compleet en moeten ze onder water uitdrijven totdat ze de tweede armslag kunnen maken. Zwemmers moeten hun lichaam naar het wateroppervlak toebrengen.
De inzet van het keerpunt gebeurt vaak door met de voorste arm de inzet van het keerpunt aan te bepalen. Dit heeft echter vaak tot gevolg dat men te ver van de wand is na de draai en men dus niet meer op volle kracht kan afzetten. De inzet van een rugcrawlkeerpunt moet altijd bepaald worden door het hoofd. Wanneer deze is ingezet volgt de rest van het lichaam.
De volgende oefening kan alleen uitgevoerd worden als de veiligheid is gegarandeerd.
Met behulp van een aanloop langs de rand van het zwembad op ongeveer 10 meter van de wand het water induiken. Zo kom je met een hoge snelheid op de wand af en kun je een borstcrawl keerpunt op hoge snelheid maken. Zo wen je aan het op hoge snelheid nemen van het tuimelkeerpunt. In dit geval het borstcrawl keerpunt, maar de overeenkomsten zijn zodanig dat het voor beide genoemde keerpunten een goede oefening is.
Het keren op de rugcrawl, moderne stijl, vertoont grote gelijkenis met het keerpunt van de borstcrawl. Belangrijk is het tijdig en reglementair innemen van de borstligging, terwijl de afzet geheel in rugligging kan geschieden ondat er geen doordraai op welk tijdstip en vorm dan ook wordt vereistt. Alhoewel het niet verplicht is om voor de muur op de buik te draaien, gaan we uit van dit keerpunt, omdat een voorwaartse sneller is dan een achterwaartse. Daarom beginnen we met een aantal oefeningen die de mogelijkheden demonstreren om vanaf rugligging naar borstligging te komen.
Een oefenreeks:
Bij de volgende serie oefeningen wordt om de lengte-as gedraaid zonder te zwemmen. Bij deze draaiingen wordt steeds gewisseld tussen vier posities:
Bij de draaiingen zoals beschreven moet de zwemmer dus steeds de juiste positie van de armen vinden. Dit kan enige gewenning vergen, maar wanneer de zwemmer deze oefening onder de knie heeft kan deze serie goed worden gebruikt om de snelheid van draaien verder te verhogen.
keer een kwart draai rechtsom.
draai linksom, twee keer een kwart draai rechtsom.
4. DE FINISHTECHNIEK VAN DE RUGCRAWL
Artikel D18 Zwemslagen
18.2.e.
Bij het einde van de voorgeschreven afstand dient de wand in rugligging te worden aangetikt.
Bij de rugcrawl zullen de zwemmers hun slagen moeten tellen, met als hulpmiddel de vlaggetjes, om zo precies goed uit te komen. Als men heeft bepaald dat er nog maar een armslag nodig is om te finishen dan zal men de laatste overhaal moeten versnellen. Dit alles zal moeten gebeuren met gebogen elleboog en dan snel uitstrekken tot aan de kant op waterniveau, niet onder water!
Deze weg is namelijk korter dan een normale overhaal met gestrekte arm.
Tevens zal men het lichaam moeten roteren om de lengte-as richting de aantikarm, zodat de reiktwijdte wordt vergroot, daarna het opstrekken van de arm voor de finish. Daarnaast ook het hoofd strekken naar de kant toe en kijken naar de finisharm om het strekken te ondersteunen.
Met de andere arm zal er nog flink moeten worden krachtgezet en ondertussen de beenslag niet vergeten om zo het aanglijden (snelheidsverlies) op de muur te voorkomen. De beenslag vervalt als men aan gaat tellen wanneer men onder de rugslagvlaggetjes door is. Het tellen geeft onbewust een andere impuls dan de slagfrequentie waarmee men aan komt zwemmen. Het eerste contact met de muur zullen de vingertoppen zijn op waterniveau.
Ideaal zou het zijn als de hand contact zou maken met de muur als de arm volledig gestrekt is.
Mocht men de aantik verkeerd hebben beoordeeld dan is de beste strategie om de arm te blijven strekken en met de benen te blijven aanzetten. Dit advies moet uiteraard alleen worden overgenomen als men op minder dan een armlengte heeft misbeoordeeld.
Het ademhalen tijdens de laatste sprint tot de muur mag geen effect hebben op de snelheid tijdens de rugcrawl, omdat men bij deze slag geen veranderingen van lichaamspositie heeft als men ademhaalt. Dit in tegenstelling tot de andere wedstrijdslagen die we kennen.
Zwemmers vergeten vaak tijdens het inzwemmen specifiek nog even de rugcrawlfinish door te nemen. Ieder bad heeft toch zijn eigen specifieke gekleurde en gevormde rugslagvlaggetjes en het kan gebeuren dat deze vlaggetjes niet precies op 5 meter hangen. Dit heeft dan uiteraard gevolgen voor de finish en de manier van finishen zal dus even moeten worden doorgenomen.
Ook ter voorkoming van blessures dient de wand even te worden gecontroleerd. Het kan zo zijn dat er platen op de wanden zijn gemonteerd waar je eventueel bij een rugcrawlfinish met je vingers tussen zou kunnen schieten.
Ook al is er een hulpmiddel, de vlaggetjes op 5 meter afstand van de finish, veel zwemmers hebben grote moeite met de finish bij de rugcrawl. Vrijwel altijd komt dit door angst voor de wand.
Zoals met alle-techniek-onderdelen dient er dus structureel te worden geoefend om de techniek goed onder de knie te krijgen en de angst te overwinnen. Tracht tijdens het oefenen zoveel mogelijk de wedstrijdsituatie na te bootsen. Oefen dus met de vlaggetjeslijnen.
Een oefenreeks:
1.)Een aantal banen rugcrawl zwemmen en na elke baan op de rug aantikken en
weer afzetten (nog steeds op de rug).
Het versnellen van de laatste contrabeweging wordt nu gecombineerd met het aantikken op een specifieke kant. Daartoe moet uiteraard eerst worden geoefend op het aanzwemmen, zodat de zwemmer weet hoeveel slagen er moeten worden gemaakt tot de kant.
Bronnen:
Swimming even Faster - Ernest W. Maglischo
Sieverding; techniekoefeningen - George Sieverding
Zwemmen in woord en beeld - Marcel de Natris